Story Froot: Grijnzende hond
Grijnzende hond
Ik heb mijn rugzak op de grond gegooid en staar naar de buitenmuur van de nieuw gebouwde gymzaal. Het is een enorme lichtgele bakstenen muur. Achter ons ligt het verlaten sportveld, er is niemand te bekennen. Mijn vriend Simon staat op de uitkijk tijdens deze warme zomeravond, de schemering is ingezet. Ik ben net zo maagdelijk als de kale muur voor me. Vandaag heb ik spuitbussen gekocht. Dit wordt mijn eerste graffiti.
Het is een spontane actie die vanmiddag is opgekomen. Verveeld hingen we rond totdat we langs de verfwinkel fietsten. Het spontane wreekt zich nu. Ik heb geen idee wat ik op deze muur zal spuiten. Ik kijk om me heen en denk na. Ik zie mijn rugzak met merketiketten erop genaaid: La Coste, Hugo Boss, Nike. Ik ben een merkfreak, net als iedereen op school. Ik draag een shirt van Marc O’ Polo. Ik kijk naar het logo: MOP. Ik spuit levensgrote letters: M O P. De randen spuit ik zwart, daarna vul ik ze met diverse kleuren.
‘Hejjj pssst er komt iemand aan!’ fluistert Simon zo hard mogelijk. Ik duik de bosjes in net als Simon. Ik vergeet mijn rugzak. Te laat. Op een afstandje wandelt een oude vent met zijn hondje voorbij. De hond stopt en gaat er eens lekker voor zitten. Die kerel laat dat rotbeest gewoon op ons gymveld schijten! Even later is het veld weer verlaten.
‘Hej, nu mag ik’, zegt Simon.
‘Wacht effe’, zeg ik.
Ik spuit een schijtende hond met een brede grijns. Het spuiten gaat me goed af, net als tekenen. Na mij gaat Simon nog aan de bak. Hij verziekt de rest van de muur met geklieder dat lijkt op het onbeholpen gekras van tweejarige kinderen.
De volgende ochtend zit ik in de klas. Wiskunde, mijn gedachten dwalen af. Ik denk aan mijn geslaagde graffiti. De hond is vet. De deur zwaait open. De directeur, bijnaam Hitler vanwege zijn snor en autoritaire gedrag, komt binnen met de decaan Hans.
‘Iedereen zijn handen op tafel leggen!!’ verordonneert de directeur.
‘De muur van de gymzaal is onder de graffiti gespoten. We willen jullie handen controleren op verf,’ zegt decaan Hans.
Het klinkt eerder verontschuldigend dan boos. Hans is duidelijk ongelukkig met zijn rol als politieagent. Ze starten bij de deur. Mijn hart klopt in mijn keel: zou er nog verf op mijn handen zitten? Ik heb ze goed gewassen. Misschien heb ik iets over het hoofd gezien. Mijn hoofd roept me tot orde: rustig blijven. Zo onopvallend mogelijk staar ik naar mijn handen. De binnenkant is schoon. Ik draai ze om: ook schoon. Mijn hart keert terug naar een rustiger slag. Daar komt decaan Hans, nu ben ik aan de beurt. Ik toon tevreden mijn schone handen. Hij kijkt amper. Wiskunde hervat.
Ineens schiet me te binnen dat Simon de kliederaar ook geïnspecteerd wordt. Hij zit een lokaal of wat verder. Simon is niet zo van het wassen. Wat als de directeur hem ondervraagt? Mijn hartslag versnelt.

Verhaal: Ben Solleveld














DEEL DIT ARTIKEL