Story Froot: Sterrenwijk
De chloortrein rijdt door de wijk, het lawaai is oorverdovend. Metaal rammelt kilometerslang voorbij, het huis trilt.
Ik kijk op de klok. Vier uur ‘s ochtends.
De kat slaapt op mijn kussen, in mijn haar, zijn poten gedrapeerd langs mijn gezicht. Gijs is net acht maanden en wordt bijna te zwaar om boven mijn hoofd te liggen. Het is een gek beest, hij lijkt geboren in het verkeerde lichaam, aanhankelijk, loyaal, honds.
Ik slaap bij mijn vriendin in een huurhuis aan de rand van Sterrenwijk, een uitsluitend blanke volksbuurt in de wijk Utrecht Oost met enkel sociale woningbouw. Het stadion begeeft zich op loopafstand. Als er een thuiswedstrijd van FC Utrecht gespeeld wordt kunnen we het gejuich uit het stadion in de huiskamer horen. ’s Avonds vult de wijk zich met busjes en taxi’s. Veelal corpulente getatoeëerde mannen stappen uit en drinken gezamenlijk bier op de stoep voor hun woningen, lachend en plat Utrechts bulderend.
Mijn vriendin woonde er een dag toen de buurvrouw aanbelde om zich voor te stellen.
‘Als ik die takkekat nog één keer in mijn tuin zie dan draai ik ‘m de nek om,’ klonk het intimiderend.
Niet veel later hing de vijftigjarige bovenbuurman, die nog bij zijn moeder woont, vloekend uit het raam. We hadden de afgestorven coniferen in de achtertuin omgezaagd, klaarblijkelijk tegen zijn zin.
Onze pogingen tot goede buurcontacten bleken zinloos. Redelijkheid en compromissen horen niet bij de hier geldende sociale code, het is eten of gegeten worden. Sindsdien vermijden we contact en confrontaties met onze buurtgenoten.
’s Ochtends zie ik Gijs in de tuin zitten. Een hond rent wild blaffend op hem af. Gijs blijft zitten en kijkt de hond aan, legt zijn oren een beetje plat maar is nauwelijks geïntimideerd door het verschil in grootte. De boxer weegt zeker 50 kilo. De hond stopt, duidelijk verward door de breuk met geldende natuurwetten en het overmatige zelfvertrouwen van deze kat. De eigenaar van de hond staat verderop, verbaasd door de scène die zich afspeelt.
‘QUINTY! HIERRRRR!,’ schreeuwt hij alsof hij het eigenlijk eerder riep.

Verhaal: Ben Solleveld














DEEL DIT ARTIKEL